Een waterput slaan of boren


Grondwater kan je op verschillende diepten vinden. Kleilagen kunnen verschillende waterhoudende lagen van elkaar scheiden. Vaak levert een diepere put beter, minder vervuild water.


Je graaft eerst een put waarin je met het boorwerk begint. Zorg ervoor dat het opwellende water uit de put ook kan wegstromen.


De boorinstallatie bestaat uit aan elkaar schroefbare buizen (zoals de veel gebruikte gegalvaniseerde waterleidingsbuizen). Telkens je dieper gaat, schroef je er een bijkomende lengte op. Als je draaibewegingen maakt is dat altijd in wijzerzin, zodat buizen wel vaster, maar nooit los kunnen gedraaid worden.
Op het ondereind kan een boorkop zitten die ook door harde lagen of zachte steen kan wroeten. In de kop, of vlak erboven moeten openingen zijn waar water door kan. Langs boven kan je met een tuinslang water in de buizen persen. De waterdruk zal de voortgang van de buizen bepalen (behalve bij steen en obstakels). Het water zal gronddeeltjes langs de buitenkant van de buis naar boven drijven. De boorkop kan zelfs een gewone vlakke ijzeren punt zijn die stevig in- en een beetje uit de buis zit.


dorpspompAls er zonder dat je water bij pompt toch water bijkomt zit je waarschijnlijk diep genoeg.
Het is een goed idee om een grote diameter te gebruiken. Dan kan je eerst een ruime, geperforeerde buis hierin laten zakken, en daarna de opvoerbuis. Tussen beiden kan je grint als filter strooien. Dat geeft een betere en reinere watertoevoer.
Deze putten kunnen ook verstoppen. Soms lukt het om ze terug schoon, en eventueel dieper te maken.


In veel weilanden zie je dergelijke putten. Het drinkend vee duwt , om aan het water te kunnen, met de snuit tegen een klep die gelijk ook de hendel van de waterpomp is. Zo pompen ze zelf water naar boven. Sommige boeren hebben een eigen boorinstallatie (die achter op de tractor kan gemonteerd worden).

 

Op internet vind je kaarten met het grondwaterpeil die je een idee geven hoe diep dit in jou regio zit of zat.



‘Wie een put graaft voor een ander moet wel heel graag werken.’ (Hannie Bleij)
 ‘Als je in de put zit heeft het geen zin verder te graven.’ ( Roy W. Walters)

 

Om zout, opgelost als pekel te winnen, boorden de Chinezen al putten tot 1.440 meter diep in de eerste eeuw voor Christus. Zo bereikten ze ook aardgas, dat ze gebruikten om het water te verdampen en zout te winnen. De schachten noemden ze vuurputten. In een kelder werd het gas eerst met lucht gemengd tot een bruikbare samenstelling en druk. Eén put kon 600 tot 700 branders voor zoutpannen bedienen.  Gas werd in lederen zakken, bamboe containers en pijpleidingen getransporteerd.
Ook aardolie werd als ‘zonne-extract’ gebruikt voor verlichting en vuur.

 

Bamboe liet hen toe torens te bouwen tot wel 54 meter hoog. Het leverde ook prima buizen en kabels met een treksterkte van 640 kilo/cm2, hetgeen overeenkomt met die van staaldraad! Door een zware beitel (150 kg, 3m lang) telkens met mankracht op te wippen konden ze 2,5 tot 100 cm per dag boren (en wegspoelen). De overheid beperkte het aantal toegelaten boorgaten, maar er werd ook ‘zwart’ geboord. Rond 1834 kon Europa de geïmporteerde Chinese techniek ook gebruiken.